34

Belangstelling voor de klassieken is een nieuw verschijnsel. Gymnasia zijn weer "in', niet alleen vanwege hun elitair karakter, maar op grond van wat ze te bieden hebben: een klassieke opvoeding. Terug van weg geweest. Is hier sprake van een oppervlakkig en kortstondig modeverschijnsel, of gaat het dieper? Gaat het werkelijk om interesse in de wortels van onze beschaving? Mensen, zowel individueel als groepen, hebben van tijd tot tijd behoefte om zich bezig te houden met hun "roots".De roots van onze westerse beschaving liggen onder meer in de latiniteit ervan.

Lange tijd heeft het ontbroken aan de belangstelling niet alleen voor de klassieke beschaving maar voor geschiedenis in het algemeen. Geschiedenis betekende de Tweede Wereldoorlog, alles daarvoor was prehistorie. Als vak saai ("al die jaartallen") en niet relevant voor de moderne computermens. Studenten in het wetenschappelijk onderwijs weten niet meer wie Willem de Zwijger is; bij Luther denken ze eerder aan Martin Luther King dan aan de grote reformator. Als ze niet christelijk zijn school gegaan (de grote meer-derheid) zegt het hele begrip reformatie hun niets. En cultuur? Cultuur is een suf ballet, een duffe opera, een muf museum. Kortom vrije tijdsbesteding voor softies. Dat cultuur een door de eeuwen gevormd leef- en denkpatroon inhoudt ontgaat hun. Houdt het jaar 2000 een wending ten goede in? Een opleving van interesse voor de geschiedenis, voor de wordingsgang en in het bijzonder voor de wortels van onze beschaving is alleszins toe te juichen. Zonder kennis van het verleden hangt het heden als toeval in de lucht, om van de toekomst nog maar te zwijgen!

Discussies over Europa en Europese Unie plegen doorgaans te gaan over economische en politieke samenwerking, zonder het besef dat zulks alleen kan op basis van kennis van de gemeenschappelijke Europese beschaving. Er is zelfs door meerdere discussianten beweerd dat er in het geheel geen Euro-pese cultuur bestaat; dat Europa slechts bestaat uit een samenraapsel van nationale culturen. Slechts kennis van en inzicht in de Europese geschiedenis kan ons leren dat er wel degelijk een gemeenschappelijke Europese cultuur bestaat, gebaseerd op drie wortels: Hellas, Rome en het Christendom, waarin ook een Joods aandeel is verdisconteerd. In West-Europa overweegt daarbij het Latijnse aandeel, met name onder invloed van de Latijnse kerk, in het oosten is de Grieks-Byzantijnse factor sterker aanwezig, door de eeuwen-lange invloed van de Griekse en Slavische orthodoxe vorm van het christendom.

Hernieuwde belangstelling voor de wortels en de geschiedenis van onze beschaving zal leiden tot een beter begrijpen van de Europese samenhang en dat is een absolute voorwaarde voor een succesvolle integratie van de Euro-pese landen en volken in een Europese Unie. "Le nationes del occidente non representa culturas autonome sed divisiones o variationes de un cultura commun"+), aldus Alexander Gode. Dit inzicht zal het uitgangspunt moeten zijn bij het streven naar Europese integratie. Dit inzicht is ook het uitgangs-punt geweest van de IALA (International Auxiliary Language Association) bij diens speurtocht naar de gemeenschappelijke Europese taal.

"Le mundo occidental ha nunquam habite un lingua commun altere que le Latino. Illo ha nulle altere hodie. De facto, illo non pote haber un altere, nunc o in tempore futur, proque quanto longemente il existera un mundo occidental, tanto longemente il existera un mundo latin: le duo terminos es synonyme"(Gode).

Anders dan het Latino sine flexione van Peano is Interlingua niet gebaseerd op het "dode", klassieke Latijn, maar op het levende Latijn, het latijn dat voortleeft in de moderne Europese talen. Anders gezegd: Interlingua is gebaseerd op het gemeenschappelijke Latijnse erfgoed van onze westerse beschaving.

"Resurger le Latino - si le latino es morte - es un effortio van e un pauco ridicule. Demonstrar le utilitate intrahodierne del Latino - si le Latino es vive - es un objectivo del prime importantia. E io presenta le hypothese que le realisation de ille objectivo pote esser promovite potentissimemente per le habile exploitation de Interlingua", aldus weer Gode.

Juist omdat Interlingua is te kwalificeren als modern, levend Latijn is de wederopleving van de interesse voor het klassieke Latijn van belang. D.m.v. Interlingua kan de student-Latijn ervaren dat het Latijn nog leeft, dat het ook nog praktisch bruikbaar is. Schrijver dezes is ervan overtuigd dat, als hij destijds, in zijn gymnasiumtijd, kennis had gemaakt met Interlingua, hij met meer genoegen en wellicht ook met meer vrucht zijn Latijn had geleerd.

Kort gezegd, hier is sprake van wat men tegenwoordig een win-win-situatie noemt: vernieuwde aandacht voor het klassieke Latijn kan de interesse voor het Interlingua als modern latijn stimuleren en omgekeerd: d.m.v. het Interlingua als levend Latijn wordt de studie van het klassieke Latijn inte-ressanter vanwege de ontdekking dat niet louter van een dode taal sprake is.

Het lijkt mij daarom mij daarom verstandig om op de vernieuwde belangstelling voor het Latijn in te haken e de betrokken studenten en docenten te informeren over het bestaan en het karakter van Interlingua als hanteerbaar, levend Latijn.

Hoe dit precies moet gebeuren staat mij niet duidelijk voor ogen, ik ben geen marketing specialist. Creativiteit en actie zijn in ieder geval vereist. En geld natuurlijk, en daar ligt al de eerste beperking: de Interlingua-organen zijn immers verre van vermogend. Een mooi uitgegeven Asterix in Interlingua, parallel aan die in het latijn, zal wel onbetaalbaar blijken te zijn. Toch verdient het overweging.

Overigens zal eerst moeten worden nagegaan of die nieuwe aandacht van de klassieken een puur Nederlands verschijnsel of een algemeen Europees fenomeen is. Dit zal niet zo moeilijk zijn. Als het laatste het geval is, is een gezamenlijke aanpak op UMI-niveau gewenst.

Zoals gezegd zal Interlingua-informatie zich specifiek moeten richten op docenten en studenten of leerlingen Latijn. Op gymnasia dus. Door de directe praktische bruikbaarheid van Interlingua zal de lol in de studie van het Latijn worden vergroot, en daarmee zijn niet alleen de leerlingen, maar vooral ook de leraren gebaat. Gemotiveerde leerlingen zijn het geluk van de leraren. Elke "leerkracht" weet dit uit ervaring.

Ruime verspreiding in gymnasiale en universitaire kringen van Gode's Discussiones, of althans van de relevante artikelen daaruit, lijkt mij gewenst en doenlijk. Een beetje gymnasiast moet deze Interlingua-teksten zonder moeite tot zich kunnen nemen. De kick van de onmiddellijke verstaanbaar-heid zal enthousiasmerend werken. Mijn advies zou zijn: Motiveer ze door er op te wijzen dat Interlingua als modern Latijn direct bruikbaar is in de mediterrane Latijnse landen als ItaliŽ en Spanje, in Portugal en in de Latijns-Amerikaanse wereld, hun populaire vakantielanden. Praat niet over "wereld-taal" of over "de tweede taal voor de hele wereld", want dat schrikt af, dat hebben ze eerder gehoord, daar trappen ze niet in.

Schrijver dezes is een computer-analfabeet, maar zelfs hij weet dat Internet goede diensten kan bewijzen, naar ik aanneem ook bij het bereiken van gym-nasiale e universitaire studenten en docenten.

Tenslotte nog: Interlingua dient nog nadrukkelijker dan voorheen als "Latino moderne" te worden gepresenteerd.

+) Citaat uit "Latino classic e Interlingua", een van de artikelen van Alexander Gode in "Discussiones de Interlingua", samengesteld door Karel Wilgenhof en uitgegeven door de Servicio de Libros UMI. Ook andere cursief gedrukte citaten in dit artikel komen uit "Discussiones de Interlingua".

BART RUTGES